Grutto maakt een sprong, kievit blijft talrijkste weidevogel

09 okt , 16:58 • Regionaal
weidevogel-anv-horst-en-maten
ANV Horst en Maten
De grutto heeft in 2026 een duidelijke sprong gemaakt in het weidevogelgebied Veerslootslanden-Olde Maten. Er werden 70 territoria vastgesteld, vijftien meer dan vorig jaar. De kievit blijft met in totaal 89 territoria de talrijkste weidevogel in de onderzochte gebieden.
Bunskoek Natuurlijk brengt in opdracht van ANV Horst en Maten sinds 2017 jaarlijks de broedvogelbevolking in kaart. Het onderzoek vindt plaats in het 386 hectare grote gebied Veerslootslanden-Olde Maten tussen Rouveen en Hasselt en in het ongeveer 20 hectare grote Groene Kruispunt tussen de Stouweweg en het Meppelerdiep bij Zwartsluis. De tellingen worden onder meer gebruikt om het maaibeheer tijdens het broedseizoen af te stemmen op aanwezige vogels.
In beide gebieden samen werden dit jaar 327 territoria van twaalf soorten vastgesteld. Vorig jaar waren dat er 316. Veerslootslanden-Olde Maten bleef met 293 territoria nagenoeg gelijk, maar het gebied bij Zwartsluis ging van 23 naar 34 territoria. Daar namen vooral kievit en tureluur toe. Het verwijderen van opslag en rietruigte en het knotten van wilgen heeft het gebied opener gemaakt.
De grutto steeg van 55 naar 70 territoria. Daarmee werd de stabilisatie van de afgelopen jaren doorbroken. Het aantal territoria is sinds het begin van de tellingen sterk gegroeid: in 2017 waren het er nog elf. Het broedsucces bleef dit jaar echter achter. Begin juni alarmeerde nog 27,1 procent van de paren met jongen. Predatie en mogelijk de droogte speelden daarbij een rol, vooral ten noorden van het Scholenland.
De kievit kwam uit op 89 territoria, tegen 91 vorig jaar, en blijft daarmee de meest voorkomende weidevogel. De wulp nam juist toe van 16 naar 22 territoria. Bij deze soort was ook het broedsucces goed: begin juni had ruim 71 procent van de paren nog jongen. Het Rouveense en Staphorster veenweidegebied behoort tot de belangrijke broedgebieden voor de wulp.
De graspieper staat met 59 territoria op de derde plaats, maar bereikte daarmee wel het laagste aantal sinds 2017. Verder werden twintig territoria van de gele kwikstaart, negentien van de krakeend, achttien van de tureluur, twaalf van de slobeend, acht van de roodborsttapuit, vijf van de kwartel, drie van de watersnip en twee van de kuifeend vastgesteld.
Voor soorten die sterk afhankelijk zijn van natte omstandigheden was 2026 minder gunstig. De watersnip daalde van zes naar drie territoria en voor het eerst sinds het begin van de tellingen werd geen territorium van de zomertaling gevonden. De droogte in april en mei en het moeilijk op peil kunnen houden van het water worden daarvoor als mogelijke oorzaken genoemd.
Volgens het rapport hangt de ontwikkeling van de weidevogelstand samen met een combinatie van verschillende maaidata, beweiding, plasdrasgebieden, schrale graslanden en voldoende rust. Pachters krijgen gedurende het broedseizoen per perceel te horen of gemaaid kan worden, het maaien moet worden uitgesteld of bijvoorbeeld perceelsranden gespaard moeten blijven.
Water en predatie blijven belangrijke aandachtspunten. Het waterpeil zakt volgens Bunskoek in het voorjaar geregeld te snel. Als mogelijke oplossing noemt hij het geschikt maken van een bestaand gemaal bij het Scholenland om water in het gebied te kunnen laten. Ook wordt voorgesteld bij wijze van proef een tijdelijk vossenraster langs de Rechterensweg te plaatsen, omdat vermoedelijk vossen vanuit de Olde Maten het weidevogelgebied binnentrekken.
loading

Loading articles...

Loading